MONTAGE

De openingssequentie van Sous le Sable lijkt over het algemeen genomen niet afhankelijk van de montage. Voor het versterken van de inhoud van het beeld, het geven van overzicht, het belichten van de reacties van de personages of andere details dient het in elk geval nauwelijks, deze elementen worden immers veelal in het shot zelf, met behulp van pans en tilts, al getoond. Het knip- en plakwerk wat er is heeft in bepaalde shots alleen de functie niet meer dan een verloop van tijd aan te duiden en vindt plaats op het moment dat er een nieuwe handeling wordt getoond. De montage op zich wordt hierbij zeer “correct” uitgevoerd, volgens de filmische regels, die een film prettig en continu (Bordwell en Thompson, 2004, p. 310-313) doen verlopen. Nooit wordt de 180º-as (Bordwell en Thompson, 2004, p. 310-313) overschreden, hoewel soms wel degelijk op de as wordt gefilmd (shot 2 en 3, shot 14, shot 30, shot 44 en 45) om een overgang naar een ander perspectief mogelijk te maken, en ook de angle (Bordwell en Thompson, 2004, p. 260-261) van de camera is weinig experimenteel.

De continuïteit van de tijd (Bordwell en Thompson, 2004, p. 310) is soms echter ondergeschikt gemaakt aan het nieuw vertoonde beeld, dat wil zeggen, een groot deel van de cuts (Bordwell en Thompson, 2004, p. 295) zorgt voor een sprong naar een andere, latere tijd, in dezelfde ruimte maar anders gepositioneerd, zonder de overgang te “verzachten” met fades (Bordwell en Thompson, 2004, p. 294) zoals bij shot 2 naar 3, of 11 naar 12 of 45 naar 46. Deze plotse maar altijd kleine sprongen in de tijd, terwijl het narratief (Bordwell en Thompson, 2004, p. 68-106) wèl continu blijft, werken mee aan het gevoel van “verstilling” waar ik in de inleiding al over sprak. Er wordt een soort van tijdloosheid gecreëerd doordat de kijker de greep op de tijdsduur wordt ontnomen. Er moet gegokt worden hoelang de periode tussen het “oude” shot en het “nieuwe” shot zou hebben kunnen geduurd en wat zich zou hebben kunnen afspelen, waardoor een zekere spannende mysterie van het onzichtbare ontstaat. Bovendien verwijst de tijdloosheid ook naar een soort gevoel van langdradigheid, alsof de tijd maar niet wil verstrijken en de camera, met daarmee de kijkers blik, zich noodgedwongen voelt van shot te wisselen. Verbonden aan de semiotiek van deze openingssequentie zou hierbij natuurlijk meteen een spoor naar sleur of verveling uit opgemaakt kunnen worden. Een statische houding. Stiltes. Alsof dit trage verstrijken van de tijd, samengevat in de harde cuts, al een verwijzing is naar een wel of niet stilgevallen liefde.

Naast de tijdssprongen heeft Ozon ook gebruik gemaakt van crosscutting (Bordwell en Thompson, 2004, p. 322-326) die, ten opzichte van het beeld natuurlijk discontinu, maar ten opzichte van de tijd juist perfect continu verloopt (shot 20 tot en met 25 of 31 tot en met 37). Tijdens het shot/reverse-shot patroon (Bordwell en Thompson, 2004, p. 314) van het diner wordt consequent rekening gehouden met de eyeline match en de match of action (Bordwell en Thompson, 2004, p. 314-315), waardoor een makkelijk te volgen gesprek ontstaat die de vragen en antwoorden en bewegingen van Jean en Marie naadloos op elkaar aan doet sluiten. In de shotreeks op het strand is er echter sprake van een grafisch verschil (Bordwell en Thompson, 2004, p. 297) in de shots doordat Marie ligt, met haar rug naar de camera, en Jean zit, frontaal gericht op de camera. Desalniettemin wordt ook hier het gesprek continu gemaakt, mede door de sterke continuïteit van het alsmaar doorgaande geluid. Begint Jean een zin in het ene shot, dan eindigt deze pas wanneer al is gesneden naar het volgende shot en andersom. Hierdoor wordt de mogelijkheid geboden de reactie van de ander te zien terwijl de een nog praat. Opvallende reactie is er echter niet, maar er wordt dan ook over niet meer dan onbelangrijke, weinig confronterende zaken gepraat -- eveneens een conventioneel teken van gebrek aan passie. Hoewel de kijker door het crosscutting dus wel een bepaalde zichtbaar onderliggende reactie zou verwachten, lijkt deze er niet te zijn. Deze verwachting zou de kijker een zeker gevoel van onheil kunnen bezorgen, alsof er iets te zien zou moeten zijn wat toch ongrijpbaar blijft.

Belangrijk is ook de laatste wissel binnen de laatstgenoemde shotreeks. In shot 39 blijft de camera voor eens demonstratief staan terwijl Jean beweegt en zelfs het beeld uit loopt. Een wissel naar een nieuw beeld van hem wordt niet gemaakt, in plaats daarvan eindigt deze reeks met een wissel naar het laatste shot van Marie op haar buik, waarbij de kijker zich pijnlijk bewust wordt van het feit hoe alleen ze daar nu ligt. Een trefzekere montagekeus die hand in hand gaat met de semiotiek -- Jeans geruisloze, plotselinge en ongevolgde verdwijning wordt letterlijk in beeld gebracht en de kijker moet in ondragelijke spanning wachten op de afloop, net zo min wetend van wat er is gebeurd als Marie.

Een enkele keer is er sprake van een
point of view shot (Bordwell en Thompson, 2004, p. 85). De eerste keer (shot 15) bezorgt het shot de kijker een kleine schok wanneer er plots een kolonie mieren die druk door elkaar beweegt vol in beeld komt. Het krioelen komt dankzij het onwerkelijk sterke geluid onprettig dichtbij en de mieren krijgen door een cut naar een shot “voor zich alleen” meer betekenis dan in eerste instantie verwacht. Zoals de insecten in de openingssequentie van de film Blue Velvet van David Lynch een gevoel van walging opwekken en een metafoor vormen voor de dood en een angstaanjagende onderwereld (O’Shaughnessy, 1999, p. 281-290), zo zouden de mieren in dit relatief lange shot een voorbode kunnen zijn voor Jeans al dan niet dodelijke verdwijning. Op het strand zijn er point of view shots van de golvende zee, waardoor het water een bepaalde aantrekkingskracht wordt toegekend en een mate van schuld wordt opgelegd.