CINEMATOGRAFIE

De eerste keer dat de openingssequentie van Sous le Sable wordt bekeken wordt de indruk gewekt dat de camera niet of nauwelijks beweegt. Het eerste shot -- de lange crane (Bordwell en Thompson, 2004, p. 267) vanaf het overzicht van de stad naar het kabbelende water naar de drukke snelweg -- is daarop een opvallende uitzondering, maar ook tegen het eind is er ineens sprake van meer beweging. Zo is bijvoorbeeld de opeenvolging van een, aan Marie’s looprichting parallelle tracking shot (Bordwell en Thompson, 2004, p. 267) wanneer zij naar de zee loopt, gevolgd door een om haar heen circulerende dolly shot (Bordwell en Thompson, 2004, p. 267) naar de andere kant en afgesloten met opnieuw een tracking shot die nu voor Marie uitgaat erg in het oog springend. De bewegingen houden haar zoekende ogen en hoofd die van links naar rechts kijkt scherp in het vizier en het beeld wervelt als de wind onheilspellend om haar heen.

Maar buiten deze momenten om lijkt vooral de “verstilling” waar ik in de inleiding al over sprak, ook bij dit filmische middel letterlijk in het beeld te zijn vertaald. Schijn bedriegt, want er is wel degelijk sprake van camerabeweging in de meerderheid van de shots, maar het feit dat elke pan of tilt (Bordwell en Thompson, 2004, p. 267) uiterst kalm en vloeiend en in complete overeenstemming staat met de beweging(srichting) van de gefilmde handeling laat de bewegingen zo versmelten met de gebeurtenissen in het beeld dat ze haast onopgemerkt blijven. Deze beweging is hierbij zo gecontroleerd dat zelfs de overgang van stilstand naar beweging of van beweging weer naar stilstand uiterst subtiel plaatsvindt. Ook binnen de pans of tilts wordt deze subtiliteit toegepast, wanneer zij met de grootste voorzichtigheid soms enigszins schuin of als een geoliede machine moeiteloos van de ene mobiele framing (Bordwell en Thompson, 2004, p. 266-267) in de andere overgaat. Niet dat deze voorzichtigheid daarbij meteen betekent dat de bewegingen langzaam zijn, in tegendeel. De op- en neer- en heen- en weergang van de camera synchroniseert zich juist perfect met de beweging van de handeling, waardoor de illusie wordt gewekt dat het dus eerder bewegingsloosheid gelijkt. Misschien omdat onze ogen niet meer zelf hoeven te kijken, dat wil zeggen, zoeken naar de beweging en handeling en belangrijkste objecten in het beeld. De camera doet dit voor ons.

Dit volgen van de handeling is een belangrijk onderdeel binnen de film. Het biedt de mogelijkheid grote delen van een scène in maar één lange take (Bordwell en Thompson, 2004, p. 284-285) te vangen zonder de details van het handelen te missen. De kijker wordt zich daarmee op een gegeven moment bewust van zijn of haar gezette positie -- namelijk de plaats waar de camera binnen de setting staat opgesteld -- ten opzichte van de mogelijke wereld die zich voor diezelfde kijker afspeelt. De gebeurtenissen worden dan ook vanuit overwegend één perspectief gezien waardoor een gevoel van mysterie behouden blijft. Er wordt een afstand bewaard die afwachting schept. De kijker staat haast letterlijk aan de grond genageld en wordt als het ware gedwongen zich aan het beeld te binden, gekweld door het niet zelf kunnen sturen van zijn of haar eigen blik. Denk bijvoorbeeld aan de laatste shotreeks wanneer Marie steeds meer verbeten om zich heen kijkt op zoek naar Jean. Slechts een keer, bij het shot van de in de branding spelende kinderen (shot 43), zien we een glimp van de omgeving “op eigen houtje”. Het vermogen zelf om ons heen te kijken en mee te zoeken wordt ons echter in de rest van de shots in grote mate ontnomen door de omgeving telkens achter Marie te plaatsen. Deels blind gemaakt voor een groot deel van de ruimte rest de kijker niets dan zich over te geven aan het beeld dat gegeven wordt, en machteloos toe te kijken hoe Marie reageert op de situatie en ons bewust te worden van het feit dat het beetje ruimte wat achter haar gezien kan worden inderdaad angstaanjagend leeg is. Bewust of niet wordt de kijker daarmee in een spanningsveld geplaatst die, in plaats van op een gouden bordje van kant en klare flitsende afwisseling van shots die alle kanten van de situatie belichten of een meesleurende snelheid van camerabeweging en montage wordt gepresenteerd, vanuit het isolement van het beeld en daarmee als het ware van binnenuit zichzelf ontstaat. In plaats van kortstondige en directe “excitement” is er afwachtende, aftastende “suspence”, wat een intensievere en langdurigere, volhardende spanning creëert.

De gebruikte
lens (Bordwell en Thompson, 2004, p. 236-237) wisselt tussen een normale middle-focal-length (Bordwell en Thompson, 2004, p. 237) -- wat een rustig, realistisch en in geenszins verdraait beeld construeert die niet afleidt van de inhoud -- en een long-focal-length (Bordwell en Thompson, 2004, p. 237) voor shot 8 en de strandscène waardoor een groot, opvallend leeg achtergrondbeeld kan worden bewerkstelligd.

Het kleurcontrast binnen de film is weinig opvallend. Zoals onder het kopje “Mise-en-scène” al is aangestipt bestaan de kleuren in de beelden uit overwegend sobere, donkere groene, grijze en bruine tinten, waarbij er een harmonieuze balans wordt gevonden tussen kleur en licht. Alleen in de bos-scene lijkt er sprake te zijn van een groenbruinige
filter (Bordwell en Thompson, 2004, p. 233), een signifiant voor een wereld van bezinning binnen de wijdse natuur die Jean op dat moment omringt. Dit symbool wordt extra benadrukt wanneer Jean bedenkelijk met zijn hand over een boomstam strijkt, wat achteraf gezien als een afscheid van de wereld zou kunnen worden beschouwd, en er een focus pull (Bordwell en Thompson, 2004, p. 243) plaatsvindt naar de tweede boom in de voorgrond. De robuuste, onregelmatige bast die dan duidelijk zichtbaar wordt lijkt te wijzen naar een geheime wijsheid of gedachte die zich jarenlang zou kunnen hebben opgebouwd in de ziel van Jean, in zijn liefde voor Marie statisch geworden als de boomstam zelf.

Op het strand is er sprake van een hele andere sfeer. Met lichte
overexposure (Bordwell en Thompson, 2004, p. 232) ontstaat er een verblindend licht beeld die in overeenstemming staat met de geïmpliceerde brandende hitte. De warmte vormt een contrast met de ijzige realisatie van Jeans verdwijning en benadrukt deze onverwachte verrassing.