INLEIDING
De
ruis van golven nog voordat het eerste beeld van
Sous le Sable (2000,
François Ozon) in zicht komt ligt ten grondslag aan de
semiotiek van deze film. Een voorbode voor de dreiging van
de zee, ondoorgrondelijk, genadeloos, een bron van
mysteries verborgen onder een wiegend oppervlak die
ogenschijnlijk kalm is. Een verbeelding van het
ogenschijnlijk kalme huwelijk tussen Marie en Jean, maar
waar zich onder de oppervlakte een ongrijpbare wereld
bevindt die de zoeker naar antwoorden in het duister doet
tasten. Een verwijzing naar een ogenschijnlijk kalm maar
onverdraagzaam spel van (emotionele) eb en vloed, die
daarmee letterlijk en figuurlijk de vaste bodem onder de
voeten wegspoelt. De toon wordt duidelijk gezet in de
openingssequentie van deze film. Na de titels, begeleid
door een versmelting van golvenruis en tragische muziek,
volgt er een verstilling die in sterk contrast zal blijken
te staan met de woedende vertwijfeling van Marie na de
verdwijning van haar man. Een gemis dat haar uiteindelijk
tot waanzin zal drijven en een abrupt keerpunt vormt na een
gestage introductie van het vakantievierende stel. Een
contrast dat deze thematiek van liefde, verlies en de
miljoenen vragen door het machteloze onbegrip dat hiermee
gepaard gaat juist complementeert binnen dit psychologische
drama.
Niet alleen met betrekking tot het geluid is er sprake van
verstilling, ook het beeld brengt een bepaalde tergende
traagheid met zich mee. Elke handeling wordt in nauwelijks
meer dan één beeld, met hulp van stabiele
camerabeweging (Bordwell
en Thompson, 2004, p. 266-270), gevolgd, en de gewoonte van
constante
ritmische shotwissels (Bordwell
en Thompson, 2004, p. 326-333) zoals in een klassieke
Hollywoodfilm wordt de kijker ontzegd. Deze vervreemding
sluit naadloos aan op de these dat een kunstwerk geen
afspiegeling moet zijn van de reële wereld, maar door haar
vervreemding een nieuwe ervaring moet opwekken die de
geautomatiseerde waarneming binnen het dagelijkse leven
overstijgt, en plaatst de film daarmee duidelijk in een
bepaalde sfeer.
De spanning bouwt zich haast ongemerkt op en het keerpunt staat daarmee parallel aan de onverwachte verrassing die Marie ervaart. De opsomming van uiterlijke en weinig betekenisvolle handelingen worden plots schuldig bevonden aan eventuele ongeziene tekens (Gripsrud, 2002, p. 99-127) die het keerpunt hadden kunnen voorspellen. De nog tamelijk oppervlakkige introductie van de protagonisten versterken het gevoel van verwarring. In deze analyse zal worden uitgediept hoe deze spanning daadwerkelijk wordt gehandhaafd en gegenereerd om de toeschouwer meteen te betrekken bij de gebeurtenissen en ontwikkelingen binnen de film. Dat wil zeggen, hoe en in hoeverre de perceptie (Monaco, 1984, p. 132-136) en het gevoel van onheil bij de kijker voor de gehele film (onbewust) wordt gevormd door de inzet van de filmische middelen mise-en-scène, cinematografie, montage en geluid (Bordwell en Thompson, 2004, p. 175-412) voor (indexicale) semiotiek (Jostein Gripsrud, 2002, p. 99-127) binnen de openingssequentie.

